Een kelder vol afval. Ik dacht dat ik daar geen zin in had. Op
het punt weer snel omhoog te gaan trok een verzameling vogelbotjes mijn
aandacht. Volgens het bijschrift zat er tussen de kippen en eenden ook zwaan,
en zelfs kraanvogel. De resten van een beerput van een rijk huis bij Zwolle.
Alles bij elkaar in een grote vitrine. Tot aan kruisboog en longbow toe.
Middeleeuwse verhalen in scherven en botjes terug te lezen. Toch eigenlijk wel
boeiend, afval.

Een vak verder kwamen de ‘broeders van het gemene leven’
weer tot leven, met veel visgraten, tot steur aan toe. De arme zusters van Cele,
een paar vitrines verder, hadden een van de armoedigste afvalhopen van Europa
achtergelaten. Het goedkoopste aardewerk; alleen wel erg veel pispotten, 69.
Maar het langste bleef ik staan voor Maria, nog heel jong, vergeleken met die
kraanvogelbotjes, opgediept uit een gedempte sloot achter de Schellerweg.
Buurtschap Schelle is nu deel van Zwolle; het werd met de komst van de
Staatsspoorlijn een snel uitbreidend wijkje waar vanaf 1850 arbeiders en
spoormensen kwamen te wonen. Net achter het spoor vormde het een ideale locatie
voor goedkope woningen.

Tussen 1870 en 1910 vulden de nieuwe bewoners de lege
greppels achter hun huisjes met afval. Zo ging dat: organisch vuil op de
mesthoop of brandstapel, steen, aardewerk en glas op de stort, zo dicht
mogelijk bij huis. Na 1910 stopte de toevoer van rommel. Zand erover, tot 1996.
Toen vonden archeologen hier een prachtig bodemarchief: zicht op de gebruikte
flessen, potten en pannen, speelgoed, knopen en blikken van de families waarvan
de gegevens nog in het papieren archief te vinden zijn. En daar liggen ze nu,
drie meter keldervloer brokstukken van levens, achter glas.

Met een soort van moderne devotie heeft de conservator de
gevonden stukken tentoongesteld. Het is alsof je er mensen weer omheen ziet
staan. In het licht, aan de muur op de hoogste plaats, twee religieuze beelden.
Dat ze Jezus hadden weggegooid is zo vreemd niet; vrijwel helemaal kapot, niet
meer om aan te zien. Je moet wel weer diepe gedachten hebben om hem juist dan
een bijzondere plaats in je huis te gunnen. Maar die Maria, die Maria daar een
niveau hoger! Gaaf, ongeschonden, hemelsblauw en stralend wit nog ongerept. Wie
heeft haar ooit met het huisvuil weggeworpen?

Was de inwonende oude moeder aan haar eind gekomen? Begraven
in Assendorp, op het roomse kerkhof. Haar kleine kamertje leeggeruimd, kleding
vermaakt voor de ouder wordende meisjes, de paar kwartjes in haar spaarpot
opgegaan aan de kist. En nu zitten ze nog met Maria. De vrouw stelt nog even
voor die dan maar in de woonkamer te hangen; dan kan je nog eens aan je moeder
denken. Maar hij haalt zijn schouders op. Heeft er niets meer mee. Ze hebben de
mensen bedonderd, al die priesters en dominees. Hier in Schelle zie je ze
nooit. Hooguit om te vragen of er nog meer kinderen komen. Nee, wat hebben ze
ook voor moeder gedaan? En als er iemand protesteert tegen de slechte behandeling,
of door een ongeluk niet meer kan werken, dan moet je maar hopen dat de
Vincentiusvereniging niet moeilijk doet. Je kunt beter bij de rooien zitten.
Die staan voor elkaar in; daar heb je tenminste wat aan.

Of was Maria ten offer gevallen aan een evangelisatiegolfje van
kleine vrije protestanten, rond het jaar 1900? Het Leger des Heils, de
baptisten, de gereformeerden, allemaal hadden ze een brede betrokkenheid op de
mensen uit de arbeidersklasse. Niet langer hoefden die geloof te hechten aan de
hierarchie van de gevestigde oude hervormde en rooms-katholieke kerk. Een eigen
geloofskeuze kon passen bij mensen die zich emancipeerden. De vrije kerkjes
maakten zich breder, met evangelisatielokalen, tractaatgenootschappen, eigen
bijbeledities, drankbestrijding voor de mannen en zondagsschooltjes voor de
kinderen. En natuurlijk met polemiek tegen dat wat als afgoderij gezien werd:
Maria aan de muur, nee, dat kan ├ęcht niet!

En zo is de verworpen Maria in die vitrine in de kelder een
symbool van een veranderende of verdwijnende kerkelijke betrokkenheid. Maar nu
ze daar zo hangt, hoog aan de muur, vertelt ze nu toch ook weer een ander
verhaal? Net iets hoger dan de paar rode en blauwe kopjes en schoteltjes met
gouden randjes, de porceleinen pronkbeeldjes met roze en olijfgroen past ze bij
de stijl van toen. Een stijl die nog steeds herkenbaar is, een soort
retrovroomheid. Maar in wie ze is en zijn kan, loopt de lijn door naar die
visetende broeders en zusters van Thomas a Kempis. Naar de arme zusters van
Cele. En ook naar de jonge mensen die anno nu een zoektocht naar geloof opnieuw
beginnen.

Ergens in het archief in de bodem, in de gedachten van
mensen, in de boeken die doorgegeven worden, komen hemelse kleuren boven. Misschien
kiezen we nu dan eerder voor het rood van de aarde dan voor het blauw van de
hemel. Zoeken we een sterkere beeldtaal, minder zoet, krachtiger, uitdagender. Maar
nog steeds klinkt dan haar stem: Kom op, kom van die muur af, roept ze de
mensen toe, kom uit dat eigen hokje, die zelfgemaakte gevangenis van de
tredmolen van consumptie. Wat reikt verder dan visgraten en kapotte pispotten
en wijnflessen? Wat blijft over, als de eeuwen verder zijn gegaan? Maria van
het afval, Jezus van de geschondenen?

Betreft de kelder van het Stedelijk Museum, Zwolle, http://www.stedelijkmuseumzwolle.nl/cms/index.php/nl/het-onderste-boven .
De twee ‘verklaringen’ berusten puur op mijn eigen verbeelding, en zijn niet gebaseerd op historisch onderzoek.