Blog Image

Roel Bosch

Over dit blog

Beschouwingen en teksten, columns en artikelen.
Vrij gebruik in context waar de teksten tot hun recht komen, met auteursvermelding.

‘een boot die aankomt maar nooit landt’

Columns Posted on vr, juli 05, 2019 17:54:44

4 juli, Knockvologan beach

onderaan het pad waar de branding stokt
begraven zee en wind een reddingssloep van de arandora
star
Miek
Zwamborn

Als ik het strand van Knockvologan beach oploop zie ik twee
haken in het zand. Schuin omhoog: de rechter wijst naar rechts, de ander naar
links. De zichtbare resten van een reddingsboot van hout, sinds 4 juli 1940
onderdeel van het verlaten strand van de uiterste punt van het Schotse eiland
Mull.

Het is opnieuw 4 juli, nu 2019. Een verzameling mensen
komt aan, van over het strand, de jongste twee klauterend een rots af, iemand
die de binnenwegen kent over de duinen, de meesten langzamer of sneller de
rotsige route vanaf de parkeerplaats naast de boerderij van John Cameron.

Het was Camerons grootvader die op 4 juli 1940 de sloep zag
opduiken, bij hoge vloed. Toen hij poolshoogte ging nemen bleek het een lege
huls. Alleen een rode kat sprong naar buiten en maakte zich uit de voeten.
Later kwam het hele verhaal boven. Op 2 juli raakte een Duitse torpedo de
Arandora Star, een schip dat met 1678 reizigers op weg was van Engeland naar de
Verenigde Staten. Naast de bemanning waren alle opvarenden oorlogsgevangenen
die tijdens de slag om Engeland veilig opgeborgen moesten worden. De meesten:
Italianen en Duitsers die in mei 1940 in Engeland woonden, werkten als
ijsmakers, schoorsteenvegers, klokkenmakers, bij een bank, of waar dan ook:
opeens spionnen van de tegenmacht.

Meer dan de helft van de 1678 mensen kwam om.
Van hun verhaal rest hier de lege sloep.

Zo stonden we, in de vorm van die sloep, de ‘hull’ van
het schip. De dichters van Ross of Mull, buren en vrienden, en ik, getipt door
een kerkganger, zondag.

Zeven dichters lezen gedichten en verhalen. Iemand noemt namen
– per letter van het alfabet één, de meeste Italiaans.

Some
things become their own monuments,
leest Seth Crook.

The
poles wait at high-tide point,
where
the water meets a plateau of dune grass
like
a mini White Cliffs of Dover,
like
a boat that arrives but never lands.

Een tapuit duikt haar nest in, in die White Cliffs. Het
leven om ons heen gaat door.

Aan de verre overzijde ligt het eiland Colonsay. Daar
spoelden verdronken schipbreukelingen aan. Met zorg en liefde zijn ze begraven,
hun naam bekend en niet vergeten. Ieder jaar met dodenherdenking worden ook zij
genoemd.

Na de oorlog, vertelt Jan Sutch Pickard, zocht de man die
een van de drenkelingen vond contact met diens dorp van herkomst. Zodra het kon
zijn ze gekomen, een groep Italianen, een eindeloze reis in die roerige en arme
jaren na de oorlog. Ze vonden troost bij het graf, zo dankbaar voor deze plaats
van rust. Nu zijn de inwoners van Colonsay ereburgers van een Italiaans bergdorpje.

Leven op een eiland – ja, dat biedt een kans voor een
isolatie die geen ruimte openhoudt voor anderen. Maar het opent ook de blik
voor de onderlinge afhankelijkheid – we zijn allemaal maar ergens aangespoeld,
laten we er samen het beste van maken.

En die rode kat? Sinds 1940 komen er opeens rode katten
(‘ginger cats’) voor in deze hoek van Mull.


Met dank voor hun gastvrijheid aan Rutger Emmelkamp en
Miek Zwamborn, die wonen en werken in Knockvologan. Miek is ook dichter, en lid
van de Poets of the Ross of Mull.

http://knockvologan-studies.eu/
Ze verzorgden een uitgave, met drie van de gedichten, van Seth Crook, Derek
Crook (Engels), Miek Zwamborn (Nederlands en Engels)
.



Dominee-druïde

Columns Posted on ma, januari 14, 2019 20:37:54

Ik moet deze dagen weer veel denken aan die zondagmorgen. Hij
kwam uit een zwaar dorp aan de rivier. Zelf hoorde hij bij de wat lichtere
gereformeerden, maar de zware hervormden daar waren wel heel zwaar. Meisjes
vanaf hun twaalfde met hoedjes op naar de kerk. En fietsen naar school, ook in
strenge winters, met rok en kousen.

Twintig jaar na zijn jeugd nam hij me mee; hij wilde zien
hoe het nu was. Inmiddels hadden de meisjes vanaf zes jaar een hoedje op. De
zonde van de begeerte schoof blijkbaar langzaam verder naar beneden. Weinig dominees
waren goed genoeg voor deze gemeente. Hun stem, hun gedrag, hun gezag moest
uittorenen boven het volk. Ze moesten weten van vreze en van oordeel. Geen wit
in hun kleding, geen lach in hun gezicht.

‘Weet je’, zei hij, ‘dit vind je overal waar vroeger
mensenoffers gebracht werden. Waar de macht van de druïden heerste. Waar de
stem van het water gehoord en gevreesd wordt. Langs rivieren die opeens kunnen
wegnemen waar je jaren voor werkte. In vissersdorpen waar de halve vloot kan
vergaan. Angst, ontzag, voor de eeuwige machten die niemand kan beheersen, in
handen gelegd van de Man met Macht. De druïde is weg, leve de dominee. Nog steeds
met bezweringsmacht. En die macht houd je vast door angst te koesteren.’

Ik weet het niet. Daar zit nogal wat tijd tussen. Er zijn
ook rivierdorpen waar het anders is. Maar grofweg, ja, Zeeland, de Waarden, Urk,
Katwijk, Arnemuiden… De dominee als onheilaanzegger. Als niet tegen te spreken Spreker
namens God. Als profeet die alle kennis van bijbeluitleg, op een universiteit
geleerd, in het water smijt, en nu de ware wetenschap kan overbrengen. Of die
geen universiteit bezocht, maar van andere predikanten het vak overnam, als
Elisa van Elia, geen letterkennis maar geesteskennis.

Inmiddels is de kerk in dat dorp gesplitst. De zwaarsten
noemen zich Hersteld. De lichten vinden het pijnlijk, maar halen ook opgelucht
adem. Er mag tenminste, soms, even, gelachen worden. Een zoon die homo is mag
gewoon thuis komen, maar nee, niet met vriend, laat staan met man. In de winter
mag dochter de broek aan, als het koud is buiten.

Alleen, nu hebben de zwaren de duimschroeven aangedraaid. Ze
grommen van onderuit. God verbiedt homoseksualiteit. Dat vinden jullie toch ook
nog steeds?

De pijn is nog steeds niet weg. Ze zitten er mee, de
lichten. Moet dat dan, een Standpunt? In alle pijn om ‘Nashville’ hebben de
mensen die zijn weggegaan een nieuwe plaats gevonden. Nu zitten ze in
geen of in een lichtere kerk, met om zich heen een schare van vrienden, met
uithuilschouders, met mensen die helpen verder te komen. Al blijft de
eenzaamheid, soms, de gespleten loyaliteit.

Maar wie bleef in het dorp moet het er mee doen. Moet leven
onder de doem van een Verklaring, een Zeker Weten, een Dreigende Doem van de
Zondvloed. En wie verheft zijn stem, tegen deze druïdale machten?



Zabor

Columns Posted on ma, april 09, 2018 14:21:05

‘De wereld heeft zijn voortbestaan alleen te danken aan het feit dat hij
door iemand, ergens beschreven wordt – zoveel is zeker.’
(124) Ik pakte het boek op, in
misschien wel de beste boekhandel van Nederland, om de titel: ‘Zabor’, in de
Koran de naam van de Psalmen. De Algerijnse journalist en schrijver Kamel Daoud
(Daoud=David) schreef het, en opent een wereld van woorden, van diepte, van
lichamelijke taal en humor. De hoofdpersoon, de ‘ik’, is Ismaël, verstoten door
zijn vader Brahim. Ismaëls moeder stierf in de woestijn toen ze moest vluchten
voor de andere vrouw van Brahim. Die verweet het jongetje van vier dat hij haar
zoon in een put had gegooid.

Na de dood van moeder kwam het
kind terug, en woont nu alweer ruim 25 jaar samen met zijn tante Hadjer, Hagar,
in een oud huis in het dorp. Brahim woont boven in de heuvels, en werd rijk van
het slachten van schapen. De twaalf zonen van de andere vrouw omringen hem, en
wachten op zijn dood.

Ismaël is raar. Heeft
gebreken, hinkt, heeft regelmatig migraine, als hij met zijn geitenstem praat
moet iedereen lachen. Maar hij schrijft. Door te schrijven voorkomt hij dat het
dorp ten onder gaat. Gaat hij met schrrift en pen bij een zieke zitten, dan geneest deze. Het
dorp wemelt inmiddels van de honderdjarigen. De macht van de taal is groot – en
het aantal schriften dat hij vulde blijft groeien. Hoe plastisch Kamel
schrijft! Je voelt de net iets ruwe pagina’s, zodat de inkt niet vlekt, je ziet
de lijnen, ‘letters die liggen, die
neerknielen en weer als lansen rechtop gaan staan: een schrift dat zich
ontrolt, zich ontvouwt als een luchtspiegeling, wijs als de tijd en trots als
de strijd.’
(Uit het motto van het boek, Dassine Ouly Yemma, Toeareg-musica
uit het begin van de twintigste eeuw, over het Arabisch schrift.)

Ismaël is zijn naam, maar zelf
kent hij zijn échte naam: ‘”Zabor” was
mijn eerste woord, het maakte een einde aan de herrie in mijn hoofd, en vanaf
dat moment bekeek ik de objecten om me heen met het idee dat ik ze ging
inventariseren. Die openbaring blies grenzen op, beloofde dat de onmacht die ik
continu voelde zou verdwijnen.’
(25) En zo geschiedde, in alle onmacht die
hij ook ervaart. Want een bibliotheek heeft zijn dorp niet, hier en daar vindt
hij een boek, vaak een half boek, waarvan de laatste pagina hem dan het meest
boeit: ‘Andere titels uit onze collectie’… en dan neemt hij de titel over en schrijft
het boek zelf. ‘Mijn versie was beter’, reageert hij nadat hij het echte ‘In de
ban van de Ring’ gevonden heeft.

Natuurlijk, dit boek gaat over
de kracht van taal, over poëzie; over macht en machtsmisbruik, over
verschoppelingen die een betere kijk hebben op de samenleving dan de heersers.
Maar zo knap is door alles heen een vorm van levensovertuiging heen geweven.
Ismaël heeft zijn eigen besnijdenis voorkomen, en zo loopt hij nog extra vreemd
rond door het dorp, als een ongelovige. ‘Ik
weet dat mijn schriften een onopvallend tegenwicht vormen en dat mijn werk met dat van God in verbinding staat. Je
hoeft je ruggengraat niet te buigen om tot Hem te bidden, je kunt Hem ook in de
ogen kijken.
’ (23) Maar ook: ‘Ik
geloof in God maar ik hoef hem niet te spreken.’
(75) En ondertussen ziet
hij zich dan ook weer als een profeet.

‘Nu schiet het verhaal van Daoud me te binnen, David in het andere boek, de
profeet aan wie God een unieke stem gaf en het vermogen om zo te zingen dat de
bergen er een koorzang van maakten. Waarom gaven de bergen antwoord en niet de
mensen, de zangers en de gelovigen? Of had God die metafoor gekozen vanwege de
goedkope elegantie? Nee. Hij wilde ermee zeggen dat taal bovenzintuiglijk is.
Als die perfect en nauwkeurig is, dan kan hij de bergen en de zwijgers antwoord
laten geven. De Zabor, psalmen zoals de anderen ze noemen, is een lied en een
boek, het verhaal van alle rijken tegelijk, wat de reden is dat zelfs de steen
er een stem heeft.’
(124,
125)

Een boek dat zoveel lagen
heeft, die van de taal, van de gezinsrelaties, van macht en machteloosheid,
maar ook: van het hernemen van dat oude verhaal van Abraham en zijn zoons, van Jozef
en zijn twaalf broers, van Hagar/Hadjer naast Maria. En ook gewoon van de
kalligrafie, de schoonheid van letters, goed geordend, vaardig geschreven, elk
met een eigen karakter, ‘de Ba’, geboren
uit Bet, dat wil zeggen huis, de plaats waar je naar terugkeert, waar je je
schoenen uitdoet.’
Doe je schoenen uit en lees een goed boek!

Met zijn eerste boek, Moussa of de dood van een
Arabier, won Daoud de Prix Goncourt voor de beste eerste roman, maar ook een
fatwa. In dat boek herschreef hij als het ware ‘De vreemdeling’ van Albert
Camus, vanuit het oogpunt van de Arabier die door Camus hoofdpersoon wordt
vermoord. Dít boek, Zabor, zou ook te zien zijn als herschrijving van ‘Duizend
en één nacht’, met een ongetrouwde
aparte eenzame man en zijn tante. Die flaptekst kreeg het boek ook van de uitgever mee; Scheherazade doet het vast beter dan Psalmen….



Stille week, week van chaos.

Columns Posted on zo, maart 25, 2018 15:30:28

‘Leven van wat komt’, een niet-zo gemakkelijk boek, lezen we
in een groepje dapperen, die op zaterdagochtend bij elkaar komen. Gisteren
lazen we over de zorg. Hoe het in het geloof niet gaat over een soort keuze
tussen egoïsme en altruïsme, maar om de basis van waaruit je groeit en leeft.
Uit liefde. Uit Liefde. Met Gerard Reves gedicht over zuster Immaculata*, en nog
wat heldere illustraties.

Maar niet alles is helder, in één keer. We bleven hangen bij
een zin die niet alleen lang en lastig was, maar ook een rare inhoud had. 2
Korintiërs 5, haalt de schrijver daarbij aan: ‘Hem die geen zonde heeft gekend,
heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods gerechtigheid
zouden worden.’ Mooier dan dat kunnen we het niet maken. De kerk maakt Jezus
Christus zichtbaar juist ook in het vuil, in het on-affe, in de chaotische
toestanden. De kerk is geen paradijselijk toonbeeld van het schone, met de rug
naar de vieze wereld, nee de kerk maakt deel uit van de verwarring.

Dat botst met de wens die eigenlijk ieder mens wel heeft:
orde moet er zijn. We hebben de dingen het liefst op een rijtje. Op zondag is
er een orde in de dienst. Dan en door de week houden we van regels die helder
zijn, of het nu de Tien Geboden zijn of wat anders.

Vanuit die achtergrond is dat wat ons deze Stille week
overkomt: chaos. De koning geknecht, de zondeloze tot opperste zondaar gemaakt,
degene die luistert en ziet ongehoord en ongezien afgevoerd, de ontfermer
onbarmhartig geëxecuteerd. En die geordende kring, vrouwen en mannen om hem
heen, uit elkaar gejaagd, schapen zonder herder.

Dat alles: uit naam van de orde. De orde die moet zijn. De
overheid die angst heeft voor onzekerheid, voor ongeregeldheid, ongeordendheid.
De religieuze systematiek die graag heldere lijnen en verantwoordelijkheden
heeft, en geen ‘wilde predikers’ toelaat. De stad die de mensen van buiten geen
stem geeft. De mensen van de Algemeen Beschaafde taal die de dialectsprekers
het zwijgen oplegt. De gediplomeerden die precies weten welke risico’s om charismatische
figuren heen hangen.

Maar nee: de kerk maakt Jezus Christus zichtbaar in het
vuil, het on-affe. In het veldhospitaal aan de rand van het slagveld. Daar
gelden andere regels dan in een regulier ziekenhuis. Je doet wat gedaan moet
worden, nu, snel, ook als je gisteren nog dacht dat je het nooit zou kunnen.
Dan zwijgt de ‘theologie’. Dan doen de regels en instituties er niet toe. Daarna
is het een poos stil.

Ooit is er geprobeerd om de dood van Jezus te ‘ordenen’, een
soort logische stap te maken in een plan van God. De middeleeuwse theoloog
Anselmus ontwierp een gedachtegang waarin God in zijn ordelijkheid een
slachtoffer eiste, en zo werd de dood van Jezus het meest geordende in de hele
wereldgeschiedenis. Maar de werkelijkheid is chaos. En daar horen gelovigen
niet uit weg te vluchten. Zoals Jezus juist ook in die chaos aanwezig was en is
en blijft.

Zo is er in de kerk, als het goed is, een voortdurende
wisselwerking, tussen wie leven aan de rand en de mensen in het midden, de mensen
die weten van orde en die van minder orde, van wanorde, van chaos. Dat is wel
even wennen. ‘Orde’ staat toch boven alles? Zo begint de bijbel toch, over de
scheiding tussen licht en donker, water en land, hemel en aarde? Over de
scheiding tussen wat wel en wat niet een zegen waard is? In de traditie van één
kerk is het zelfs officieel een term: ‘ongeordende relaties’ zijn wel heel erg.
Dan gaat het over homoseksualiteit. Of over transgenders. Die passen niet op
wat sommige mensen als ‘orde’ zien.

Elk systeem zoekt orde, weten we, balans, evenwicht. Dat is
een wet uit de natuurkunde die net zo goed voor een samenleving opgaat. Jezus
Christus ziet wie daar de dupe van worden. Mensen, vermalen tussen de ordenende
krachten. En als de Heer van de dans zet hij de wereld op het andere been, dat
van de beweging, van het zoeken naar een dynamiek die niet kleinen offert om
groten een kans te geven. Nee, dat is geen gemakkelijk verhaal. Toch goed, om
daar bij stil te staan, het begin van de goede week.

Naar aanleiding van Erik Borgman, Leven van wat komt, vooral
hoofdstuk 6, p. 136 en 137.

*
Roeping

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet savonds reeds zijn smoel op de teevee.
Toch goed dat er een God is.



Kerstnacht

Columns Posted on ma, december 25, 2017 17:46:00

Hij is
altijd welkom. De kosters kennen hem, geven hem de grenzen aan. Voor en na de dienst
is er koffie. Van aankijken kan hij boos worden, dat is teveel gevraagd, maar
we blijven gewoon gedag zeggen, ook als hij niet reageert. Hij kent de weg. De kerkdienst zelf is niets voor hem, maar tussen de mensen zijn doet hem goed, lijkt het. Een
poos bleef hij uit zicht, maar in december dook hij weer op. Elk dorp, elke
stadswijk heeft wel zo iemand, toch?

Maar nu, als
ik met de ouderling de Kerstnachtdienst inloop, zit hij voorin, op de voorste
bank. Dat komt goed uit, de diaken zingt in het koor, dus die plaats is toch
leeg. Hoe lang zal hij het volhouden? Wat onrustige gebaren, een ritmisch heen
en weer gaan bij het zingen, verder loopt het eigenlijk best goed. ‘Vannacht is
Jezus toch geboren?’, vraagt hij aan de ouderling, die dat natuurlijk
hartgrondig bevestigt.

Dan komt het
slot. Hij is er nog steeds, als we het ‘Ere zij God’ zingen. Vorig jaar lieten
we dat weg, maar er waren er die het misten, dus nu is het er weer. Hij
straalt, beweegt, klapt. En opeens kijkt hij naar mij, inmiddels weer terug op
de voorste rij. We lachen naar elkaar. Hij ziet mij. Ik hem. Zo ongeveer ziet
dat er wel uit, in de mensen een welbehagen. Of vrede op aarde. Of hoe je het
ook verder wilt omschrijven.

Bij de
uitgang is hij de eerste, en hij geeft me een hand. Dan snel naar de chocola.
Zo is het goed. Voor ieder mens een zalig kerstfeest. Wat zou dat mooi zijn!



… het meervoud te vinden

Columns Posted on zo, december 03, 2017 18:37:16

Elke maand lezen we een keer samen gedichten. Eens per jaar is
de schrijver een buitenlands dichter, vaak een onbekende voor de lezers. Het
lezen verplaatst ons in gedachten naar een heel andere wereld, een ander
klimaat, een andere taal. Knappe vertalers verbinden de twee werelden, en toch
blijven we het gevoel houden dat we te gast zijn, vreemdelingen in eigen taal.
Goed, om dat soms te ervaren.

Roberto Juarroz, 1925-1995, leefde in Argentinië, dichtte in
het Spaans. Hij maakte een harde werkelijkheid mee, met woorden (‘palabras’)
die machteloos leken, met antwoorden die verdwenen in de nacht, met de tijd die
gewetenloos voorbij ging, dictatoren en stille moorden. Maar in die
werkelijkheid, waar mensen dan maar gewoon ‘hun ding’ deden, met punctuele
precisie, stond hij regelmatig stil. En stelde hij zijn eigen vraag. Die hield
hij dan ook vast.

Zijn gedichten zijn kort, nooit meer dan een pagina in druk.
Ze rijmen niet, hebben geen duidelijk metrum, en toch is het op en top poëzie.
Met een val naar beneden, en met een lijn recht omhoog: verticale poëzie. Die
juist heel horizontaal kan werken: verbindend. Want er is maar één zaak die
overblijft in deze mensenwereld: het meervoud te vinden. Daar gaan we dan maar
mee door!

Een woord zeggen sluit alle andere woorden uit,
een boek openen doet alle andere boeken dicht,
een enkel ding denken verstoort het evenwicht van de wereld,
iemand liefhebben is de grootste vergetelheid.

De punctuele beoefening van een enkel leven
kan nooit enige zin hebben.

Blijft slechts over het meervoud te vinden.

Roberto
Juarroz, vertaal door Mariolein Sabarte Belacortu –

gedicht 58 uit Verticale
poëzie VIII,

opgenomen in Verticale
Poëzie,
Amsterdam 2002



Plan van aandacht

Columns Posted on zo, december 03, 2017 17:51:34

Het is weer zo ver. De periode 2014-2018 is zo ongeveer om, het oude beleidsplan van de NoorderLichtgemeente verloopt al bijna. Vijf gemeenteleden krijgen de opdracht om
een nieuw te schrijven, natuurlijk in dialoog met de gemeente, met inzamelen
van wat leeft, met terugkijken naar wat uit het oude plan mag blijven.

‘Waar willen we zijn over vijf jaar?’ Het antwoord op zo’n
soort vraag gaat het dus worden. Want ja, als je nergens heen wilt kom je ook
nergens. Als alles om ons heen verandert, dan moeten wij toch meedoen? En de
kerkorde schrijft het voor, daar kom je niet onderuit. Trouwens, waar wil ik
zelf eigenlijk zijn over vijf jaar? BELEIDSPLAN 2018-2022, schreeuwen de
kapitalen. Of?

Ik herinner me de eerste keer dat een gemeentelid dat vroeg:
waar wil je zijn over …? Ik was net twee jaar dominee, en ging op bezoek bij
een stel dat in het dorp was komen wonen. Hij begon als filiaalhouder van de
plaatselijke X-bank. En had natuurlijk een mooi plan voor zich, van waar hij
wilde zijn, over tien jaar. ‘En wat heb jij nu voor carrièreplan?’, vroeg hij
me. Ik had geen antwoord.

Totdat we met onze zaterdagmorgenleesgroep, ‘de zevende
dag’, Erik Borgman lazen. Hij schreef het boek: ‘Leven van wat komt’. Over die
tendens, dat je ‘ergens’ wilt, nee moet komen, over vijf of tien of twintig
jaar. En dat het dus lijkt alsof de plaats waar je nu bent niet deugt, niet
goed genoeg is. En, zo laat Borgman zien: in de kerk weten we beter. Je bent
hier en nu. Hier spelen geloven, hopen en liefhebben met elkaar. Hier zijn de
mensen die elkaar en zichzelf aanvaard weten zoals ze zijn. Hier is het goed. Nu.
En áls het over toekomst gaat, dan komt eerst vertrouwen.

Borgman helpt verder, door op verschillende maatschappelijke
vlakken te focussen. Het woord ‘contemplatie’ speelt dan overal doorheen.
Steeds weer die stap terug zetten. Even zwijgen. Goed luisteren, goed zien.
Aandacht geven, schenken, aan wat die aandacht waard is. Dan volgt er vast wel
een goede stap vooruit. Of een goed stilstaan. Of de stap terug.

Ik denk dat we onze opdracht gaan omdopen. ‘Plan van
aandacht’, kan het gaan heten, in plaats van beleidsplan. We hoeven niet meer ergens
te zijn, over tien jaar. We zijn nu hier. En vieren ons geloof.

Hoe zou het met hem zijn, die man bij de bank? Alle plannen
moesten heel anders. Wie kon de digitalisering van het betalingsverkeer
voorspellen, het leeglopen van bankfilialen, het einde van het postkantoor, de
Euro, de opkomst van Bitcoins? Zelfs de mobiele telefoon was nog ongedacht. Wáár
wil je zijn? Met wíe wil je zijn, die vraag is wellicht belangrijker. En
tegelijk ook een vraag die aangeeft hoe kwetsbaar ik ben. Aandachtig leven, laten
we het daar maar op houden. Met vertrouwen.



Dunnige troost

Columns Posted on do, augustus 10, 2017 21:30:49

Kennismakingsgesprek. Hij is veel kwijtgeraakt. Nu hier
komen wonen, dichter bij familie; mist zijn oude woonplaats. Afhankelijk van
hulp voor heel veel, tijdens ons gesprek gaat de deur een paar keer open en
dicht voor de schone was. Wat hij vroeger allemaal kon, als ingenieur, hij zou
er geen zinnig woord meer over kunnen zeggen. Maar wat een boeken, een kast
vol. Augustinus en Safranski, Kafka en Eckhart, Nijhoff en Berkhof. ‘Tja, dit
hebben ze uitgekozen uit wat er allemaal thuis nog stond. Had ik gekocht voor
na mijn pensioen. Maar nu kan ik zelf geen boek meer pakken.’ We spreken over
geloof, en over troost. Daar hoort hij veel over, het is vaak een onderwerp op
tv. Maar het is allemaal zo ‘dunnig’, zegt hij, zonder basis. Hij houdt het
toch op zijn geloof. Maar hoe? Ooit een gereformeerde gemeente-achtergrond, later zwaar hervormd, toen gaan zwerven.

Aan het eind van het gesprek stel ik voor dat ik een paar
bladzijden voorlees uit een boek in zijn kast. Naar welk boek bent u benieuwd?
Eckhart, wel gekocht nooit gelezen, daarvan wil hij wel wat horen. Ik sla het
open, het boek van de goddelijke troost, en prik op p. 73.

‘Veronderstel, iemand heeft honderd mark. Daarvan verliest
hij er veertig en behoudt er zestig. Wil die mens nu almaar aan de veertig
denken die hij verloren heeft, dan blijft hij ongetroost en treurig. Hoe zou
hij ook getroost kunnen zijn, en zonder leed, als hij zich naar de schade en
het leed toewendt, en dat in zichzelf een gezicht geeft, en ernaar kijkt, en
dat kijkt hem weer aan, en hij praat ermee en spreekt met de schade en de
schade praat weer met hem en beide kijken elkaar voortdurend in het gezicht? Maar
zou hij zich wenden tot de zestig mark die hij nog heeft, en de rug toekeren aan de
veertig die verloren zijn, en hij verplaatste zich in de zestig, en keek daarnaar van aangezicht tot aangezicht en ermee praatte, dan zou hij zeker getroost worden.
Wat iets is en goed is, dat kan
troosten; wat niets is en niet goed is, wat niet van mij is en voor mij
verloren is, dat moet noodzakelijk ontroost geven en leed en droefheid….
Wanneer je in lijden verkeert en in ongeluk, denk dan aan het goede en aan het
geluk, dat je nog hebt en behoudt.’

Alsof er een derde de kamer is binnengekomen, een gast uit
1200. We zijn er stil van. Hij is er blij mee, dat geeft te denken, dat geeft
te geloven. En dat er een boodschap is die mensen elkaar kunnen doorgeven, de
eeuwen door – wat een wonder.

Het is één van de dertig verhaaltjes die Eckhart over ‘lijden’
door wil geven. Onbeholpen, als alle spreken over lijden. En tegelijk een
authentiek verhaal. ‘Ontroost’, een woord dat hij zelf verzon. Het hoort bij
dat wat niets is en niet goed is. Lucht en leegte, dunnige taal – waar loopt de
grens met taal die draagkracht heeft? Als Eckhart had gezegd: je moet je gemis
niet koesteren, zouden we zijn gaan steigeren. Maar zo, zoals hij het zegt –
dat je toelaat dat de schade en jij elkaar voortdurend in het gelaat kijken, zo
snap je het anders, beter.

We eindigen met een gebed. Het boek gaat terug in de kast;
maar blijft toch ook nog in de ruimte hangen.

* Ik las voor uit zijn editie, met de mooie vertaling van
C.O. Jellema. Thuis moet ik het doen met mijn editie, met de stroevere taal van
Jan Calis, Bruno Nagel en Theo van Velthoven, die ik hier wat vrij weergaf.



Volgende »