Blog Image

Roel Bosch

Over dit blog

Beschouwingen en teksten, columns en artikelen.
Vrij gebruik in context waar de teksten tot hun recht komen, met auteursvermelding.

Samen vat je meer

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on zo, oktober 21, 2018 20:16:00

We zien elkaar vaak op zondagmorgen bij de wisseling van
dienst. Als NoorderLichters vertrekken we na kerkdienst en koffie, de mensen
van de Mar Benyamin arriveren voor de mis. Dan groeten we elkaar, wisselen we
vragen en goede woorden uit. Nee, vreemden voor elkaar zijn we niet. Maar onze
diensten zijn toch wel heel anders. Nederlandstalig, met orgel of vleugel, lang
niet altijd avondmaal – bij ons. Bij Mar Benyamin in het Aramees, met onbegeleide
zang, elke viering met eucharistie, wierook, een lange en oude liturgie.

Ontmoeting moet op een ander moment plaatsvinden:
zondagmiddag. De Assyriërs komen uit Alkmaar, Breda, Werkendam, door de week
zijn ze hier niet. Deze zondag hadden we afgesproken met elkaar te spreken over
het jaarthema van de NoorderLicht, ‘In de steigers’. Als aanloop de
bijbeltekst, Efeziërs 3: 18, 19 : Dan
zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen
begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat,
opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

foto Samuel Ibrahim

Dan volgt een gesprek. Geen discussie, van acht tegen acht,
maar een onderlinge ontmoeting. Wie heeft jou geholpen de lengte en breedte van
Gods liefde te kennen? Wie maakte voor jou de weg met God begaanbaar? Welke steigers
hielpen, om je geloof stevigheid te bieden?

Het werd een rijke uitwisseling. Een aartsbisschop die een jonge
soldaat in het leger van Saddam Hoessein houvast bood in zijn christelijk
geloof. Een basisschool in het Noorden van Nederland die een jonge assyrische vluchteling
in dagelijks gebed en bijbellezing een schat meegaf. Een moeder die met vreugde het evangelie
deelde in de kerk in Den Haag. Een man met vele beperkingen die zicht had op
het Koninkrijk van God en het doorgaf. Iemand die de ruimte voelde om in de
kerkdienst zijn eigen weg te delen. Een vrouw die een ervaring die ze als kind
had, God zo dichtbij, nog voelde als was het de dag van gisteren.

Ook vragen kwamen langs. ‘Met
alle heiligen’
– wie zijn dat dan? Zijn dat die heiligen van de kerk van
Rome, waarvan enkelen de moord op mensen van onze kerk van het Oosten
aangemoedigd hebben? Of kan ik dat zijn, tegelijk door God aangenomen én
zondaar? Is ‘heilig’ toch niet vooral een woord van relatie, van wat je voor
een ander betekent? Geen statisch begrip, een vakje waar sommigen wel, de
meesten niet in thuis horen, maar een mens in wie de aanwezigheid van de Geest
te ervaren is?

Het goede, dat wat straalt, dat wat licht geeft, dat is het
heilige. Dat delen we met elkaar. En zo praten we, over wat allemaal zou ‘moeten’,
meer jonge kerkgangers, vaker bidden, en dat wat de ontvangen, vooral dat: de
genade van de ontmoeting in Christus naam. Of we nog vaker zo’n ontmoeting kunnen
hebben, zeggen we op het laatst. En onze gast, ds. Trinette Verhoeven, dankt de
Heilige voor de ontmoeting, hier en nu, en in het leven van alledag. En we
vragen om een vervolg. Want als ‘vreemden’, met andere achtergronden, leren we
elkaar beter kijken naar wie we zelf zijn. En naar wat we geloven. En blijken
we geen vreemden, maar kunnen we samen bidden, in het Nederlands en in het Aramees.
Amin!



Mobiele heiligheid

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on vr, oktober 12, 2018 21:33:03

Wat is het geheim van een goede samenwerking tussen twee
kerken die samen één gebouw delen? Waarin versterk je elkaar, stimuleer je de
ander? Wat maakt dat het meer is dan een commerciële actie tussen een verhuurder
en een huurder?

Op een avond in het Wereldhuis in Houten zaten we in een
kring om daarover te kunnen spreken. ‘Connecting Churches’, hoe kunnen geloofsgemeenschappen
en kerken van hier en van overal vandaan samen het lichaam van Christus
verbeelden, in de samenleving? Lene, van de Assyrische kerk van het Oosten, vertelde
over de manier waarop zijn Mar Benyaminparochie zich thuis voelt in de
NoorderLichtkerk. In het gesprek dat ontstaat komen veel details boven tafel.
Maar één punt blijft ongenoemd. Gewoon, omdat westerse christenen, van protestantse
of evangelicale achtergrond, daar uit zichzelf niet opkomen.

Het is dominee Emad Thabet die de vraag stelt. Hij is
Egyptisch theoloog, voorganger van de Arabische gemeente in Amsterdam in de
Elthetokerk, in Oost. Hij groeide van huis uit calvinistisch op, in die grote
groep van 1 miljoen ‘presbyterian christians’. Zijn kerk ontstond uit
zendingswerk van Schotse en Amerikaanse gereformeerden. ‘Kunnen jullie elkaars
spullen gebruiken? Is er geen ongemak over de heilige plaats in de ruimte?’

Hij spreekt uit ervaring. Voor veel oosterse christenen is
de kerk als zodanig heilige ruimte. Het altaar mag slechts door enkelen genaderd
laat staan aangeraakt worden; eerbied is ingebakken, of, zoals we nu zeggen, zit
in het DNA. Voorbij de ikonenwand komt bijna niemand. Het idee dat op een ander
moment van de zondag andere christenen daar heel anders mee omgaan kost heel
veel moeite. Kerkgebouw delen tussen heel andersoortige kerken is vragen om
moeilijkheden.

De Assyrische kerk van het Oosten valt niet onder de
orthodoxe kerkfamilie. Ikonen vind je niet in haar kerkgebouwen. Andere dingen
zijn wel weer te vergelijken: in de liturgie richt de gemeente zich op het Oosten.
Priesters, altijd man, mogen getrouwd zijn, maar de bisschoppen worden gekozen
uit degenen die als moniaal, monnik, leven. De liturgie is voorgegeven, in een
stramien dat altijd doorgaat, een ruim uur van rust en ruimte in de veranderlijkheden
van de tijd. Rond het altaar vind je alleen mannen met de wijding van akoliet,
diaken of priester.

Maar anders dan bij de orthodoxen: als een priester gewijd
wordt ontvangt hij van de bisschop een stukje ‘heilige grond’. Vanaf
het moment dat hij deze gewijde tegel ergens neerlegt, is deze plaats heilig.
En
raapt hij hem weer op, dan vervalt de wijding van de plaats.

Vandaar dat het ook kan, dat daarvoor en daarna anderen rond
het altaar staan, dat dan voor de NoorderLichtgemeente de tafel heet. Hier
delen we de gebeden, de gaven, brood en wijn – maar de gedachte dat het de
heiligste plaats van de kerk zou zijn leeft niet echt. Heiligheid kent geen
plaats?

De Egyptische dominee hielp ons er nog eens over door te
praten. Zo besef je dat eigenlijk toch ieder wel een gevoel van heiligheid
kent, in de kerk, een gevoel dat boven komt als een kerk van functie verandert.
Of als er een modeshow gepland wordt, of een toneelstuk gaat worden opgevoerd
waar mensen moeite mee hebben.

Een mobiel stukje heiligheid. Dat herkennen we, als we er
langer over denken. Als de kaars ontstoken wordt bij een ziekbed. Als aan boord
van een schip van de marine de dominee of aalmoezenier een kruis op een tafel
zet, en een kelk met gewijd brood. ‘Anders dan alle andere plaatsen’.

Mooi, zulke
gesprekken over wat ons bindt en scheidt. Wie een vreemde kerk op bezoek krijgt
leert zichzelf ook beter kennen! Als ze bij u aankloppen, open dan hart en
deur, en merk hoeveel je elkaar te bieden hebt!

Over ds Emad Thabet in Amsterdam, zie dit artikel in Trouw . Over ‘Kerken delen’, zie het boekje van Skin Rotterdam met deze titel,
waarover ik in een eerder blog schreef.

na de mis, als de priester ‘de heiligheid weer heeft opgeheven’, helpen de kinderen graag mee met het weer opruimen, en het oprollen van de kleden. Deze foto Roel Bosch, de andere Samuel Ibrahim, van de site van de Mar Benyaminparochie.



Fragmentarisch geloven

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on za, september 16, 2017 21:49:32

-aantekeningen bij de inaugurele rede van Nicola Slee,
Faculteit Godgeleerdheid VU Amsterdam, 14 september 2017 – *

‘Tafelstraat 13’, dat was het adres en de naam van het
Maastrichts studentenpastoraat waar ik bijna tien jaar werkte. Ooit was ons
middeleeuwse pand de plaats geweest waar de tafels buiten stonden: de armen van
de stad konden daar hun soep en brood halen. Nu was het de ruimte om samen te
koken en te eten, te discussiëren en te zingen, film te kijken en te mediteren,
te filosoferen, te nietsen, te werken, ruzie te maken of verliefd te worden.

De tafel is het beeld dat steeds terugkomt, als Nicola Slee
zoekt naar de plaats van feministische theologie en praktische theologie,
vandaag. Er zijn keukentafels, ronde tafels, familietafels. Maar ook de tafel
waarachter de baas zit, de altaartafel waar alleen mannen welkom zijn. Wég met
de tafel, dus? In deze tijd zijn er twee opties, zo lijkt het, als het gaat om kerk
en theologie. Het oude bewaren, je verzetten tegen kritische vragen, nieuwe
ideeën; of juist alles wat herinnert aan vroeger verwijderen, weggooien. Maar
voor het eerste is er amper ruimte: de oude instituten zijn ingestort, ook al
geven ze het nog niet altijd toe. Maar om nu blij te zijn met vernietiging van een
goed verhaal? Dat helpt ons ook niet verder.

Nicola Slee kiest ervoor om te pendelen tussen beide kanten.
Een dynamisch ‘to-ing and fro-ing’, een
golfbeweging durven te volgen. Ergens in
het kapotgeschoten midden van het Grote Verhaal woont de gewonde onderzoeker,
de gebroken dichter. Ze roept de theologie op om weer te ontdekken hoe haar basis
te vinden is in een ‘disabled God’, een God die zelf gewond, beperkt, getroffen
is. En daar dan ook tussen de scherven te zoeken naar wat van waarde is, elke
scherf omhoog te houden, tegen het licht, en te zien waar die een plaats kan
krijgen.

Komt dan de tafel ons weer te hulp, maar nu die andere, de
tafel van de veelheid? In het Brooklyn Museum staat in een grote zaal ‘the
dinner party’, een feministisch kunstwerk. Een driehoekige tafel biedt plaats
aan drie maal dertien vrouwen, bij name genoemd, grootheden uit de
wereldgeschiedenis. Op de grond liggen driehoekige tegels, met 999 namen van
vrouwen uit de geschiedenis en de mythologie. De borden op tafel spreken in
symbolen van vulva en vlinder. En dan? Wie binnenkomt blijft op afstand staan.
Doet niet zelf mee. Kan alleen maar bewonderen – of zich afkeren.*1

Chicago nodigt ons met deze tafel uit ook verder te kijken.
En wie weet komen we zo ook weer terug bij die andere tafel, met de outsiders,
de armen, leprozen, ‘de hoeren en de tollenaars’, om de bijbeltaal te gebruiken.
De outsiders die binnengesloten, omhelsd worden, verschijnen om de hoek. En de
praktische theologie heeft als taak hen te zien, hen te horen, hun stem tot de
inhoud van de theologie als geheel te maken. De praktijk is de theologie, de
theologie is de praktijk.

Susan Dorothea White, The first Supper.

Dan kan het niet anders of de theologie verandert van taal.
Het óf,
óf
valt weg, in de plaats daarvan komt het dit, maar ook dat: ‘either,
or’ wordt ‘as well as’. En de zoektocht begint, naar de verborgen tafels, de
verborgen altaren. Theologie wordt dan een mooi vak! De poëzie doet mee, de
beeldende kunst. En is, zoals Simone Weil het al zei, niet het woord ‘aandacht’
het hart van zowel de gedreven wetenschappelijk onderzoeker als van de bidder?
Bidden en research, laat ze maar samen gaan. Dan komen er goede dingen op
tafel.

* Fragments
for Fractured Times: what Feminist
Practical Theology brings to the Table.

*1 Zie voor deze opstelling van Judy Chicago: Brooklyn Museum, Elizabeth A. Sackler Center for Feminist Art.



Kerken delen

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on za, september 02, 2017 08:27:43

De één woont nu een aantal jaar in Nederland, gevlucht uit
Syrië, en gaat steeds meer de zondagse kerkdienst missen. Thuis was die zo heel
gewoon, die hoorde bij het dorp waar ze vandaan komt. De ander is naar
Nederland gekomen als au-pair, van de Filippijnen, mee met een familie die je
daar goed voor betaalt. Maar waar kan je in je eigen taal God loven, en bidden
voor je kinderen thuis? Nog iemand anders vluchtte uit de bergen van Myanmar, van
het volk van de Karen, lid van een christelijke minderheid die steeds meer
onderdrukt wordt. Is er iemand die samen met jou bijbel wil lezen? En zo wil je
dan opnieuw beginnen, voor je geloof op een nieuwe plaats een herkenbare vorm
zoeken.

Eeuw in eeuw uit komen en gaan mensen grenzen over. In
Nederland kwamen eerder de gevluchte Zwitserse doopsgezinden, de Franse
hugenoten, Duitse luthersen en rooms-katholieken. Ze vonden een kerk als thuis,
soms met moeite, soms met steun óf tegenwerking van de overheid. En nu, hoe
gaat het nu?

Verdwaald in de kerk

De mensen uit het voorbeeld, en tienduizenden andere
christenen van overal en nergens, wonen in Nederland. Vanaf de komst van Chinese
christenen, vaak uit Indonesië, nog in de jaren dertig, begint die stroom op te
vallen. Vaak kunnen enkelingen een goed onderdak vinden in een bestaande kerk,
zeker als de taal geen probleem is. In sommige Waalse gemeenten is de helft van
de leden nu afkomstig uit Afrikaanse Franstalige landen. Maar vaak voelen mensen
zich toch verdwaald in een typisch Nederlandse kerkdienst. Ze missen hun taal,
het contact met mensen die een zelfde achtergrond hebben. Bidden doe je toch
het meest vanzelfsprekend in je eigen eerste taal. Daarnaast is voor hen zondag
echt een dag voor ontmoeting, maaltijd met anderen, kinderen die samen spelen,
ontmoeting van familie en vrienden, van enkelingen en groepen. Maar waar? Een
buurthuis huren mag soms niet eens meer – ‘we doen niet aan religie’, zegt de
overheid dan…

Gelukkig zijn er veel plaatsen in Nederland waar christenen
elkaar helpen. De baptisten in Ede die de Karen-christenen in hun ruimte laten,
een protestantse wijkkerk in Utrecht waar de Chinese christenen onderdak
vinden, de Nederlands-gereformeerde kerk
in Dordrecht waar ook Vietnamezen gebruik van maken, de Nigeriaanse
Breakthrough Sanctuary Parish uit Nigeria die in Den Haag een kerk van de
protestantse gemeente overneemt. En, in Zeist, de Mar Benyaminparochie die de
NoorderLichtkerk deelt met een van de gemeente van de Protestantse Gemeente
Zeist.

Kerken delen

Over deze en meer projecten is een boekje uitgekomen,
‘Kerken delen’. Het gaat uit van de koepelorganisatie die christenen met elkaar
verbindt. Interviewers als Madelon Grant, Hans Eschbach, Arnold van Heusden
schetsen beelden van heel verschillende geloofsgemeenschappen. Soms gaat het om
gezamenlijk gebruik, soms om verkoop, soms om een ruiling. Maar er zijn ook wel
een paar dingen die in alle gevallen opgaan. Voorop staat de overtuiging dat we
als christenen, zusters en broeders, aan elkaar zijn toevertrouwd. Daarna komt
het zakelijke. Soms is er weinig geld. Binnen een migrantengemeenschap zijn de inkomens
vaak laag, en dan hebben ze ook nog eens de wil om familie die achterbleef te
ondersteunen. Vaak is dan wel weer praktische hulp mogelijk: het regelmatig
schoonmaken van de kerkzaal, het naaien van nieuwe kleedjes voor de tafel.

Daarnaast is het ook steeds belangrijk om goed en open
contact te hebben. Voor Nederlanders kan het nodig zijn dat ze zich afvragen:
heb ik dit op de goede manier gevraagd? In veel culturen is ‘nee-zeggen’ heel
onbeleefd, en op een voorstel dat niet goed uitkomt krijg je dan dus geen
reactie… Er zijn ook heel praktische vragen, over gebruik van
geluidsinstallatie, kerkomroep, doopvont. Voor sommige kerken is de ruimte waar
de priester staat, rond het altaar, heilige grond, en dan moet je daar kort
voor hun dienst niet nog even overheen gaan lopen om iets op te halen. Mensen
komen naar deze diensten vaak vanuit een grote omgeving, misschien wel het hele
land. Houd er maar rekening mee dat ze eten en drinken, contact hebben, rond
het weggaan nog een poosje buiten napraten. Weten de buren van de kerk daar dan
ook van?

Verwondering

Wat je proeft in alle verhalen: de verwondering. Wij geloven
één heilige, algemene, christelijke kerk? Hier kom je opeens in je eigen gebouw
andere gestalten van die kerk tegen. Dan merk je dat dat woord ‘algemeen’ niet
zomaar een woord is, maar dat daar eigenlijk ‘kat-holiek’ staat, dat is: over
het geheel van deze aarde uitgestrekt. Als in de ene gemeente verdriet is,
leeft de andere mee. Bij een aanslag in Syrië bidden de Nederlandse broeders en
zusters mee met hun Assyrische geloofsgenoten. De tegenslagen van het volk van
de Karen in Myanmar krijgen voor de baptisten in Ede een gezicht. En misschien
klinkt zo’n naam van een Nigeriaanse kerk wel wat lang en overdreven:
Breakthrough Sanctuary Parish. Maar dat de kerk een ‘sanctuary’ mag zijn, een
heilige veilige vluchtplaats, dat is toch een boodschap op zich! Zo kijken, met
de ogen van anderen, kan ook ‘oude kerken’ helpen om opnieuw te beginnen.

In de Chinese kerk in Utrecht hangt dit bord aan de muur: om dank te delen. In elke kerk, en zeker die uit andere culturen, vind je elementen die nieuw zijn, op andere ideeën brengen!

In mei werd dit boekje aangeboden aan dr. René de Reuver, de
scriba van de Protestantse Kerk Nederland, die als predikant in Den Haag ook
zo’n kerk-deling had meegemaakt. Het is een initiatief van SKIN Rotterdam
(SKIN=Samen Kerk In Nederland), van Kerken voor Kerken, van Sopak en van
netwerk Connecting Churches. Er staan ook wijze adviezen in van een
vastgoedkenner en een notaris. Het is een uitgave van Kameel.nl .
Ds Rneé de Reuver neemt het boek ‘Kerken delen’ in ontvangst, uit de handen van de voorzitter van Kopak, pastor Ola Asubiaro.

Dit artikel verscheen in Opgang september 2017, themanummer Opnieuw Beginnen.



Verlangen naar het levenseinde?

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on do, mei 04, 2017 21:39:13

Een kleine veertig mensen zaten in een
grote kring, in de Shalomzaal. Wat onhandig gevormd, die kring, omdat er steeds
meer mensen bijkwamen. Tegelijk een mooi beeld van de avond: iedereen is
welkom, je kunt alles niet op en top organiseren. Het leven overkomt ons, de
vragen dienen zich aan, en dan?

‘Voltooid leven’, zo luidde het thema
van de avond. Tja, dat kan een hoop filosoferen oproepen, wat is ‘voltooid’,
maar eigenlijk ging het daar niet over. Het ging over de vraag hoe je omgaat
met de opmerking van een ander: voor mij hoeft het niet meer. Ds. Fia Oomen,
pastor in o.a. verpleeghuis Bovenwegen, hielp ons hier woorden voor te vinden.
Of juist: hoe je niet altijd ‘woorden’ hoeft te vinden. Ze knoopte aan bij ‘Wachten
op God’ van Simone Weil. Zij had een bijzondere visie op luisteren naar een
mens die zijn verdriet kwijt wil. Daarvoor is nodig dat je jezelf leeg maakt.
En dat je in dat leegmaken wacht op God, op datgene waarmee Hij je vult op dat
moment in het luisteren naar die ander.

Dat leegmaken van jezelf is iets wat je
kunt leren, waar je je in kan oefenen. Het begint er al mee dat je niet direct
een antwoord hoeft te geven, maar je afvraagt: wat doet deze vraag met mij? En
stil durft zijn, en de ander wilt kennen in de achtergrond van deze opmerking.
Want daar zit een wereld achter en onder. Kijk maar naar het Paasverhaal, de
ontmoeting van die Onbekende met Maria: ‘Waarom huil je?’, was de openingszin,
geen verhaal, maar een vraag naar het zielsverdriet.

Na het verhaal van Fia was het stil, een
stilte van overdenken, eerbied, rust, bezinken. Daarna gingen we in zes
groepjes in gesprek, gesprekken die vol respect, aandacht, openheid waren –
waarover daarna ook niet meer gepraat hoefde te worden. We nemen het mee naar
huis, en de gedachte eraan komt vast wel terug, op momenten waarop het er toe
doet.

Fia keek nog terug, op haar lezing. Wat
noemde ze vaak het woord ‘toevertrouwen’. Is dat, omdat spreken over deze
dingen zoiets is als samen op Heilige Grond staan? Dat konden we zo wel ervaren.
Woorden als eerbied voor de ander, de Ander, komen daarin vanzelfsprekend mee.

Nog andere woorden kwamen op als gidsen
onderweg in onze ontmoetingen. Naast ‘autonomie’, ‘geloofstraditie’, ook
‘liefde’, ‘verwondering’, ‘relaties’. En bedachten dat we moeten leven met
trage vragen, van een heel andere orde dan vragen waar je zo in één keer een
antwoord op wilt geven.

Soms horen daar ook trage teksten bij.
We hoorden de tekst met ‘het einde ligt wijd open’, 949, van Fred Kaan. En
sloten af met de zegenbede uit het Liedboek, p. 1335,
‘Dat je de vruchten van je leven proeft
en gaat in vrede.’

Fia maakte nog een lijstje met
literatuur; dat staat hier onder!

Literatuurlijst boekentafel 2 mei NoorderLicht, avond over voltooid
leven.

Oud geboren om jong te sterven,
Ouderenzorg en levensverhaal: onder redactie van Gerda Breed, Jos Deckers en
Maarten den Dulk.

Over het verstrijken van de tijd,
Een kleine ethiek van de tijdservaring: Paul van Tongeren

Als leven wachten wordt:
wonen en werken in het tehuis, Marinus van de Berg

Wachten op God, Simone Weil

Wanneer begint afscheid nemen:
Christina Donker

Voor de laatste tijd, Samen
werken aan een goede dood, Marinus van de Berg

Geef me de tijd, Gedichten
over de herfst van het leven: Rainbow essentials

In de wachtkamer van de dood:
Anne-Mei The

Wat komt er na de dood: De
kunst van leven en sterven: Anselm Grun

Voltooid leven, over leven
en willen sterven: Els van Wijngaarden

De dood overleven: Theo
Vertelman

Als de schaduwen langer worden:
Psychologische perspectieven op ouder worden en oud zijn: Alfons Marcoen

Van levenskunst tot
stervenskunst
, Over spiritualiteit in de palliatieve zorg: Carlo Leget

Het verleden als uitdaging:
Thijs Tromp

Staan in het einde, over het
beamen en verdiepen van de ouderdom: Herman Andriessen

De tijd te vriend houden,
spiritualiteit bij het ouder worden: Herman Andriessen

Een eigen weg te gaan,
ouderen en spiritualiteit, Herman Andriessen

De mythe van het voltooide leven:
Over de oude dag van morgen: Frits de Lange

Waardigheid, voor wie oud
wil worden: Frits de Lange

Spiritualiteit als inzicht,
Mystieke gedachten en theologische reflecties: Frans Maas

Spiritualiteit als levenskunst,
Alfabet van een monnik, Benoit Standaert

Als de ouderdom pijn doet…,
serie pastorale handreiking, Marinus van de Berg



Chinees schouwspel

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on ma, oktober 12, 2015 10:47:21

Ik denk dat
ik ergens de boot gemist heb. Ik snap de vraag niet. Waar gaat dit over? Dat de
zondagse kerkdienst een ‘Chinees schouwspel’ lijkt, is dat het probleem? Een
synodescriba maakt zich daar zorgen over, zo begreep ik nog wel.

Laatst, een vrije
avond, heb ik een uur zitten kijken naar een grote dartwedstrijd op t.v. Een paar potjes achter elkaar, de kwartfinales, in een grote hal, lange tafels, veel
kabaal. Fascinerend en onbegrijpelijk. Niet chinees maar toch een schouwspel.
Als ik vaker kijk ga ik het vast snappen. Nu is het me soms een raadsel: ‘no points’?
Hoe die puntentelling werkt kan ik vast nakijken op internet. Niemand die roept
dat ‘wij darters’ het moeten veranderen, en een normale manier van
puntentelling moeten gaan invoeren die elke luie televisiezapper moet kunnen
volgen.

In onze kerk
schuiven elke maand een keer een ouder-en-kind aan. Ze besloten een jaar terug
om wat met geloof en levensbeschouwing te doen, en spraken met elkaar een vaste
reeks data af. Daar zijn ze weer, denk ik dan. Ze zingen inmiddels mee, wat dat
betreft is de beamer een uitkomst voor wie boekjes-bang is. Voor zover ik kan
zien is de preek boeiend voor ze, de jongste zit nog op de basisschool maar
blijft liever gewoon in de kerkzaal.

Of neem
uitvaartdiensten en trouwdiensten, vaak voor minstens de helft vreemden en bijwoners.
In verbondenheid gebeurt er veel dat goed is. En juist de meer rituele dingen,
chinees schouwspel, zeg maar, komen het beste over. De kaarsen, de laatste
woorden van uitgeleide bij een uitvaart, een slip van de stola op de kist. Of
ook die oude liederen of melodieën, die bij ons al meestal niet meer gezongen
worden, ‘een poort wijd open staan’, ook voor kerkgangers vaak onbekend
geworden, maar ze doen het goed, ze roepen iets op dat de ratio te boven gaat.

Wat indien
geen chinees schouwspel, kortom? Een filosofisch gesprek? Een rondje hoe voel
jij je vandaag? Een kaartspel waarin je de woorden tegenkomt die vandaag voor
jou gelden? Voor ieder z’n plek denk ik dan. Niets mis met chinees. Of hebreeuws.

Of , met de
woorden van Hester Knibbe, op bezoek in het klooster in Chevetogne, tegelijk de
woorden van zo’n oude psalm (dat woord alleen al, chinees, o nee, grieks):

Chevetogne

Het huis is
hier van hogerhand.
Stemmen en
tegenstem sluiten je uit
en in. Ik
woon hier deze dag voorgoed.

Het gaan en
komen van de wierookman
slingert de
tijd. Zolang zijn rondgang
in het
zonlicht hangt dat lijnrecht zich
naar binnen
buigt, hoeft niemand bang.

Waarom de
kaarsen aan en uit, het kruis
getoond en
weer geborgen op de schrijn
achter het
rood, staat ergens buiten kijf.

Men zingt
zich los in wat ik niet versta
bezweringen
die ik eenvoudig duid: ga
wees
gezegend, blijf, hier of in eeuwigheid.

Hester
Knibbe, Oogsteen 56 (oorspr. uit de bundel ‘Thebe’)



Trubbels met de Geest

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on za, januari 10, 2015 15:06:19

Stel dat je een kerkboek vindt waar in het Onze Vader een
regel ontbreekt. ‘Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven wie ons iets
schuldig is’, bijvoorbeeld. Dan kan je twee kanten op denken. De ene is, dat
bij het kopiëren en plakken een fout is gemaakt. Sorry, zetten we later recht.
De andere is, dat in de kerk die dit kerkboek uitgeeft de leer heeft postgevat
dat christenen niet om vergeving hoeven te vragen. Wie werkelijk kind van God
is is zonder zonde, zegt toch ook Johannes in zijn brieven? Dus deze regel
kunnen we missen.

Nu is de praktijk dat de geloofsgroepen die dat laatste
vinden – die zijn er zeker! – het Onze Vader niet bidden. Dat is een tekst voor
vroeger, niet voor nu. Zoals er ook kerken zijn waar het niet hardop door allen
gebeden wordt, want niet voor ieder geldt toch: ‘Onze Vader’? Toch alleen voor
de ware gelovigen? Dus bidt de voorganger het aan allen voor, in de hoop dat
velen het in hun hart in stilte kunnen volgen. En dat het de anderen later ook
gegeven wordt.

Zo zegt een tekst uit de traditie in een kerkboek iets over
de gemeenschap die dat boek gebruikt. Rond 1994 vroeg de Wereldraad van Kerken
of alle geloofsgemeenschappen over de hele wereld elk in hun eigen taal wilde
komen tot één vertaling van het oudste en meest oecumenische
belijdenisgeschrift, de belijdenis van Nicea-Constantinopel. Nadat dit
geschrift is opgesteld ontstond langzaam verwijdering tussen Oost en West, en
andere teksten, zoals ‘de twaalf artikelen alias de apostolische
geloofsbelijdenis’ zijn in de kerk van het Oosten niet bekend. Mooi zou het
zijn, als we dan voor deze tekst een vorm kunnen vinden die overal kan
inburgeren.

Ik zat toen in het groepje van drie dat een voorstel moest
doen. Leuk werk, maar ook lastig. De oudste tekst begint met: ‘Wij geloven’.
Maar in de meeste kerken hebben ze daar: ‘Ik geloof’ van gemaakt. Kan je dat
zomaar veranderen? Het lastigste was het stuk over de Heilige Geest. De oude
tekst heeft:
En in de heilige Geest, die Heer is en
levendmaakt, die uitgaat van de Vader, die samen met de Vader en de Zoon
aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten.

Rond de tijd van Karel de Grote voegde de kerk van het Westen er iets aan toe:
die uitgaat van de Vader en de Zoon, het ‘filioque’.

Moeten we dat nu opnemen of niet? Ik wilde eens uitzoeken
hoe het in de kerkboeken van de Gereformeerde (voor 1800 werd het woord
‘hervormd’ nog vrijwel nooit gebruikt) kerk in Nederland na de Synode van
Dordrecht stond. Maar helaas: het stond er niet. Hier stond niet meer dan:

En in de heilige Geest
die gesproken heeft door de profeten.

Dat was geen drukfout. De redacteur, wie het ook was,
besloot een theoloog, Amandus Polanus, te volgen die geconcludeerd had dat het
tussenliggende stuk erbij gefantaseerd was in latere tijden. En zo stond het in
de kerkboeken, tot tenminste 1895, en voor de Oud-Gereformeerden tot de huidige
dag. Het enige belijdenisgeschrift dat nog een lijntje vormde naar de ‘ene
heilige, katholieke, christelijke kerk’ in gemankeerde vorm, met een heel mager
tekstje over de Geest. En niemand die het merkte. Ook niet, dat in het oudste
Gereformeerde belijdenisgeschrift, de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1569,
verwezen wordt naar die woorden over de Geest – die zich nu dus niet meer laten
vinden…

Totdat in de negentiende eeuw de Gereformeerden en
Hervormden zich om hun identiteit gingen bekommeren, en wilden bewijzen dat ze
oude papieren hadden. Abraham Kuyper, ongekroond voorman van de samenvoeging
van Afgescheidenen van 1834 en Dolerenden van 1886, wilde een complete
herneming van het programma van Dordrecht 1618-1619 organiseren. Inclusief
betaalbare uitgave van de Statenvertaling met Kanttekeningen, en het complete
kerkboek, met belijdenisgeschriften en formulieren. Daarbij waren hij en zijn
metgezellen niet dom, en goed thuis in de catholica; vooral de Anglicaanse kerk
kende hij goed. En daar klonk ‘Nicea’ in de liturgie, en daar stond er altijd
veel meer over de Geest.

Kuyper, Rutgers en de zijnen stelden aan de Synode van de
Gereformeerde Kerken in Nederland een verbeterde en herziene tekst voor, zonder
dat een discussie ontstond over het ‘waarom’ van de gemankeerde tekst van ooit.
En zo geschiedde. Ook de Hervormde Kerk kreeg overigens, eerder al, een betere
tekst aangeboden, door J.J. van Toorenenbergen, 1869, maar die werd niet op de
Synode besproken. Later, in 1983, kwamen Hervormd, Gereformeerd en Christelijk-gereformeerd
samen tot een vernieuwde vertaling. Maar over die weggevallen woorden is nooit
iemand gevallen. En nee, het was geen fout bij knippen en plakken geweest.

Wat leert ons dit? Dat lange tijd de Nederlandse
calvinistische protestanten een heel
kleine en gesloten wereld
hadden. Niemand die zich iets afvroeg over de andere
versies die in Lutherse (Confessio Augustana) of Oud- of Rooms-katholieke
parochies klonken. Gewoon omdat Nicea niet klonk, het Credo geen liturgische
functie had. De twaalf artikelen stonden in de catechismus, dat was genoeg.
Oftewel: we geloven in een heilige
katholieke christelijke kerk
, maar in de praktijk staan we op grote
afstand.

Dus leert het ons ook: de
liturgie kent ruimte voor de geloofsbelijdenis
, als lied, om te zingen, of
om mee in te stemmen. Als ‘liturgicum’ is het bedoeld om tot loven aan te
zetten; niet voor niets volgt in de klassieke liturgie op het credo de viering
van de tafel. Na deze woorden leggen we onze gaven op tafel in de collecte, in
onze beden, in brood en wijn, en ontmoeten we de Levende. Maar waar die notie
ontbreekt, en de oude teksten alleen als boxen met dogmatische teksten gezien
worden, kunnen we er wel één of twee missen, er is al zoveel tekst… Luther had
dat anders gezien, het liet het Niceanum zingen op een strofische wijze, die
hij met een ‘Wij geloven, Wir glauben ….’ begon dat acht noten besloeg, Lied
341 Nieuw Liedboek.

En tenslotte leert het ons toch ook dat praten over de Heilige
Geest, en zich daarbij oriënteren op de wijsheid van de eerste eeuwen, in de
gereformeerde traditie zelden gebeurde. Voor je het weet ben je een
geestdrijver, zo lijkt men te vrezen. En dus vinden we in catechismusboekjes de
eeuwen door bijna geen woord teveel over
de Geest
, en is er geen dominee geweest die dacht: ‘Wauw, die mooie woorden
over de Geest die Heer is en levend maakt, die zijn mooi, daar kunnen we wat
mee!’

Wie de tekst van Nicea wil nalezen: hij staat op noten in
het nieuwe Liedboek, 340a. De oecumenische vertaling die de Raad van kerken aan
de kerken ten gebruike gaf is opgenomen met een melodie van Maurice Pirenne in
Dienstboek I, een proeve, p. 619, Liturgische gezangen nr. 62. Deze is weinig
bekend geworden. De letterlijke vertaling van het woord ‘factor'(Latijn), ‘poètos'(Grieks)
als ‘Maker van hemel en aarde’ is toch wel erg vreemd, blijkt; de meeste
vertalingen harmoniseren hier naar het Apostolicum toe en maken er ‘Schepper’
van. Misschien dat Bouwmeester meer kans had gemaakt?

Ik werk aan een wetenschappelijke versie van een artikel
hierover; tips blijven welkom!



Schilderij Zonder Marie

Kerk en kerkgeschiedenis Posted on ma, december 01, 2014 20:05:08

Niet echt een vrolijke plaat, dit schilderij van het echtpaar
Feitama-de Haan. Zij zit met de rug naar hem toe, hij heeft daar totaal
geen last van en kijkt zelfverzekerd naar de schilder. De rijkdom spat van het
doek af, maar je mag het niet echt zien. Het is de kwaliteit van de stof die
het hem doet, het verzorgde kapsel, het horloge aan haar ceintuur. Zijn zilveren
gespen in de schaduw onder de tafel vallen niet op, maar toch ook weer wel. De eenvoudige
pruik op zijn hoofd straalt eerbiedwaardigheid uit. Een sobere tafel, slechts
het hoogstnodige voor een eerlijke administratie. Bloemen in een schaal met
water op een kruk trekken niet de aandacht, maar zijn nadrukkelijk aanwezig. Tussen
hen in, ook achter de tafel, als een verbinding tussen de twee krachtige
karakters, staat dochter Marie, hun enige kind, hun erfgenaam, hun hoop. Wat
lichter gekleed, maar met dezelfde strengheid, een moede blik in het gezicht.
Alsof het leven al zowat voorbij is.

Jacob 1726-1797, en Elisabeth, 1735-1800, op dit schilderij
rond de 65 en 55 jaar oud, hebben met dit schilderij een verhaal aan het
nageslacht nagelaten. Ze vertellen over de rijke eenvoud van doopsgezinden in
de Republiek. Hoe ze streng kunnen zijn, en dat willen weten ook. Vandaar ook
dat ze de schilder een paar jaar na de afronding van het schilderij hebben
laten terugkomen. Hun dochter bestaat niet meer voor hen. Marie had moeten
kiezen voor de doop. Tot de jaren des onderscheids gekomen hoort het immers zo
te gaan, dat een mens zelf kiest voor de weg van het strenge geloof, en zich
dan ook laat dopen? Daarmee zou ze ook het zweren van eden achter zich laten,
het steunen van het gezag van het zwaard, een al te losbandige levensstijl, ze
zou kiezen voor de vreedzaamheid van de Doopsgezinde wereld.

Maar Marie koos voor haar officier. Voor iemand die het
zwaard droeg. Die aan God en vaderland gehoorzaamheid zou zweren, of eigenlijk:
‘God’, niet de God zoals zij die in de Sociëteit beleden. Marie mocht
verdwijnen uit hun leven. Ze zullen haar verder mijden. En zo is het schilderij
ontvolkt geraakt. Heeft de schilder een muur voor haar neer gezet. Kijken er nu
alleen twee jong oud geworden mensen recht in het gezicht van de schilder.

De vredelievende blik van deze wereld van volgelingen van
Menno Simonsz had ook een harde kant. Pijn en moeite kwamen mee. Lastig,
principes. Hoe blijf je trouw aan je geloof, en houd je je geliefden vast? Het
is een oud dilemma, elke tijd, in elke kring opnieuw gesteld. We zien de moeder
en de vader nog eenmaal aan. Elisabeth
Feitama-de Haan en Jacob Feitama. Hun dochter is van het schilderij afgewandeld
en ging een eigen weg. Laten we hopen dat ze gelukkig is geworden.

Alleen die ene witte bloem, als uit de schaal gevallen,
herinnert nog aan haar. Gevallen vrouw? Verspeelde onschuld? Maar de onschuld
van wie?

schilderij van Wybrand
Hendriks, uit Rijksprentenkabinet Het Mauritshuis, Den Haag, nu tijdelijk op de
tentoonstelling Adriaan de Lelie, het achttiende-eeuwse familieportret, Museum
van Loon Amsterdam. Illustratie uit de catalogus.



Volgende »